indonesie_politionele acties_weeknummer473-hre00002ed3.flv

Coming of age van historici: Van incidenten, naar systematisch en structureel geweld in Indie

Eind vorig jaar was ik bij de presentatie van het boek over oorlogsmisdrijven Soldaat in Indie van de Leidse historicus Gert Oostindie. Stampvolle zaal, gevuld met historici en journalisten, en een indrukwekkend onderzoek, waarvoor Oostindie 659 egodocumenten van veteranen van de zogeheten ‘Politionele Acties’ bestudeerde. 1362 van hen kregen een stem. Het was voor het eerst na het verschijnen van de Excessennota in 1969 waaraan historicus Cees Fasseur werkte en van het boek Ontsporing van Geweld door socioloog J.A.A.van Doorn/Hendrix in 1970 (ze durfden eerdere publicatie niet aan), dat er zo’n grootschalig onderzoek plaatsvond naar onze wandaden. Nota bene: 71 jaar nadat Indonesie de onafhankelijkheid opeiste. Het boek van Oostindie geeft naast een beschrijving in algemene zin van het soldatenleven, een opsomming van marteling, standrechtelijke executies, massamoord, verkrachting, vernieling, en stelselmatig in brand steken van kampongs. Maar ook van goedpraten en verdoezelen.

Dat was een jaar geleden. Inmiddels is het boek van Oostindie herdrukt. Vorige week publiceerde historicus Remy Limpach zijn promotieonderzoek, De Brandende kampongs van Generaal Spoor, waarvoor onze regering een speciaal team heeft opgesteld om te beraadslagen hoe er gereageerd moet worden. Een vergelijking tussen de historici dringt zich op. Net als Limpach concludeerde Oostindie dat er sprake was van structureel geweld. Geen incidentenkwestie meer dus, daarover zijn ze het eens.

Maar dan. Oostindie wijdde een hoofdstuk aan de politieke betrokkenheid. En daarin verbaasde hij me. Hij schreef dat de legerleiding, het politieke en juridische bestuur in Batavia en in Den Haag, niet verweten kon worden dat ze beleid opstelden dat aanzette tot geweld; er was volgens Oostindie sprake van structureel, maar niet van ‘systematisch’ geweld.

Ik vond het een moeilijk te verdedigen conclusie en vroeg hem bij de presentatie of dat geen semantische discussie was, tenslotte beschrijft hij zelf hoe het bestuur zaken gedoogde en onder het tapijt veegde. Maar daarin was Oostindie zeer beslist, de misdrijven vonden plaats in de laagste echelons. ‘Er was geen sprake van een systematisch, door de legerleiding – laat staan door de politiek – verordonneerd en intern omstreden gebruik van excessief geweld.’ Hij spreekt wel over aanmoedigen, verhullen, verdoezelen en gedogen (blz. 177-178). Toch medeplichtigheid vond ik, maar Oostindie wilde zover niet gaan. In zijn boek spreekt hij zichzelf hier en daar dan ook tegen. Zo zegt hij op bladzijde 141, dat ‘de Nederlandse legerleiding met de eigen ambivalente opstelling een faciliterend kader schiep voor oorlogsmisdrijven.’ Me dunkt dat je dan niet meer om verantwoordelijkheid heen kunt. Graag zou ik nu van hem willen weten hoe hij over die conclusie denkt. Begrijp me niet verkeerd, zijn onderzoek is indrukwekkend.

Limpach durft de stap aan en stelt in zijn baanbrekend werk dat er sprake was van een ‘totaal falend systeem van checks and balances, bij zowel de militairen, het burgerlijk bestuur als justitie, maar ook bij de media.’

Leiding is belast met controle en bestraffing. Maar deze zijn nagelaten waar het onze eigen oorlogsmisdaden aanging. Liever kapittelden we andere mogendheden hiervan bij hun dekolonisatie acties. Daarom hebben onze politici ernstig in die taak van eindverantwoordelijke gefaald en dienen daar nu consequenties aan te verbinden. Het werk van Oostindie en Limpach dwingen hen daartoe.

Gelukkig zien we in de geschiedschrijving met deze publicaties een duidelijke ontwikkeling in erkenning van de oorlogsmisdrijven. Van ontkenning voor 1969, naar het benoemen van ‘incidenten en excessen’ naar systematisch en nu structureel geweld. Het woord is aan de politici. Haast is daarbij overigens wel geboden. De nabestaanden wachten al zo lang op gerechtigheid.