De opgedroogde beek van de Zweedse schrijver Vilhelm Moberg en de (Syrische) migranten

In het Zuid-Zweedse Vaxjö zat ik een paar jaar geleden op een terras te genieten van een kop koffie in de destijds nog schaarse zon toen er een oudere heer ongevraagd naast me kwam zitten. Ik was verbaasd, de Zweden zijn afstandelijk en dringen zich zelden op. Het bleek een man met een missie. Hij vroeg of ik op de hoogte was van de Zweeds geschiedenis van deze streek. Toen ik ontkende begon hij te vertellen.

Zweden vestigt jaarlijks meer dan 100.000 immigranten voornamelijk uit Syrie, op een bevolking van 10 miljoen. Een op de vier inwoners van Zweden is inmiddels emigrant. De vicepremier riep in 2015 huilend de Syriers op om niet meer te immigreren. Niet omdat ze niet welkom meer waren, integendeel, maar omdat het land de opvang niet meer aankon; er sliepen zelfs mensen op straat.

De bron van de tranen van de minister waren mede te traceren tot een Zweeds verleden. Halverwege de 19e eeuw heerste er door mislukte oogsten en overbevolking honger en armoede. Kinderen werden uit bedelen gestuurd, moeders maakten brood of pap van zaden en boomschors dat soms in kinderbuikjes uitzette en tot de dood leidde. De eerste emigranten vertrokken te voet dan wel met paard en wagen en wat landbouwgereedschap naar Göteborg of Karlshamm waar ze de boot namen naar toen nog het land van melk en honing, de Verenigde Staten.

Met de kennis van nu zouden ze in de volksmond gelukszoekers heten.

Hele families trokken weg met uitzondering van die ene pechhebbende dochter of zoon die voor de ouders moest zorgen. De uitgeleide was net als een begrafenisstoet van hun eigen kinderen, beschrijft de onvolprezen Vilhelm Moberg (1898-1973) in zijn zwarte, maar heel beeldende en ook humoristische romanserie De Emigranten. Anderhalf miljoen Zweden legden honderden kilometers af om nooit terug te keren. Deze gebaande paden zijn nog steeds gemarkeerd en worden goed onderhouden tot een net van ‘Utvandrarleden’.

De man raadde me aan de in Zweden zeer geliefde Moberg te gaan lezen, zijn geboorteplaats vlakbij te bezoeken, evenals het emigratiemuseum in Vaxjö en de gemarkeerde paden de bewandelen. Dan pas zou ik de Zweden doorgronden. Hij bedankte mij voor mijn aandacht en verdween in het niets.

En ik ging naar t museum (met foto’s van Zweedse emigranten die ziek waren of mentaal niet in orde en n krijtkruisje kregen op hun jas, wat inhield dat ze terug moesten, ook al hadden ze alleen maar geld gehad voor een enkele reis); ik bewandelde de betreden, bemoste en beweende paden (door de donkere, eenzame bossen van naaldbomen en berken, zij het niet alle honderden kilometers) en ik las boeken uit het enorme oeuvre van deze grote schrijver (die een einde aan zijn leven maakte, maar Nobelprijswaardig was).

Vorige week ging ik op zoek naar zijn roots in het gat Moshultamåla. Op n oude tekening ziet zijn geboortehuis eruit als een piepklein houten schuurtje met mos op het schuine dak. Het werd in 1924 afgebroken, voordat Moberg zijn boeken publiceerde en roem het huisje had kunnen redden. Er staat nu een giga eironde gedenksteen. Rondom is er net als een eeuw geleden alleen maar bos. Geen verstedelijking heeft hier plaatsgevonden, hooguit een enkel huis is bijgebouwd. Geen museum heeft de grote schrijver van het klein menselijk leed, geen uitbaterij, alleen die steen met het bordje. Ik blijf even mijmeren, hoef me geen voorstelling te maken van de omgeving ten tijde van Mobergs jeugd. Deze is gefixeerd.

Dan herinner ik me dat hij schreef over een beekje vlakbij dat de ‘lyckligast’ tijd van zijn leven vertegenwoordigde. Ik hoor geen gekabbel, maar stap langs wilde frambozenstruiken, over muntplantjes, takken en stenen naar een muur, die bestaat uit zoveel gerooide opgestapelde stenen dat Sisyphus er van achterover was gevallen.

Daarachter moet het beekje lopen waar Moberg kreeften ving en steentjes in gooide. Alleen staat het nu zo droog dat het een holle weg is geworden. Ik ben in shock. En begrijp de Zweedse tranen en hun respect voor geschiedenis des te beter. Als de boer Moberg nu leefde had hij wellicht door de aanhoudende droogte niets meer kunnen verbouwen. Vestiging is nooit vanzelfsprekend. Emigratie is van alle tijden.

Ik denk aan onze Indonesiëgangers, 350 jaar lang. Ik denk aan onze emigranten naar Australië, Nieuw Zeeland en de nieuwe wereld. Ze waren niet eens op de vlucht. Ze hadden honger naar avontuur. Laat de eerste westerling die beweert geen migrantenbloed in de aderen heeft vloeien maar opstaan als er dan geen empathie kan worden opgebracht voor migranten uit Mexico dan het Midden-Oosten of Noord-Afrika. Eens zullen de rollen weer worden omgekeerd. Wie weet als het water ons zo aan de lippen staat, of als landen als de VS steeds vaker worden getroffen door noodweer en misoogsten, of door zelf veroorzaakte massaschietparten, dan springen westerlingen ooit in bootjes richting het Midden-Oosten, dat momenteel zoveel regen krijgt dat stukken woestijn bloeien. De Zweden zullen er welkom zijn.