Alsof je het leed van de Indonesische weduwen en kinderen kunt wegen

De Nederlandse Staat houdt in de rechtbank tot nu vol dat de executie van mannen in de oorlog tegen Indonesie in 1947 ‘in minder directe mate’ hun kinderen heeft geraakt dan hun echtgenotes. Nederland ging in beroep tegen het besluit van de rechter die deze argumentatie afwees in de zaak rond schadevergoeding van de kinderen (uitspraak 1 oktober). Nog afgezien van het gebrek aan empathie, verbaas ik mij over de speciale maatbeker die Nederland blijkbaar heeft om af te meten hoe erg de hoeveelheden leed ingrijpen op iemand leven. Zeker is dat de landsadvocaat niet bij de kinderen zelf is gaan informeren over wat die impact was. Op 4 juli debatteert de Kamer over de genoegdoening voor de kinderen, nadat deze enkele jaren geleden een schikking voor de weduwen trof.

Ik wens de leden veel wijsheid toe bij het afwegen. Hier beschrijf ik de feitelijke gevolgen voor de twee Indonesische kinderen van toen, bejaarden nu, die ik deze week interviewde. (Mij moet trouwens van het hart dat het vreemd is dat de onderzoekers van het NIOD, KITLV en NIMH deze mensen niet hebben geinterviewd in het kader van het nationale onderzoek naar oorlogsmisdaden in Nederlands-Indie na 1945).

Andi Monji (82) en mevrouw Talle (76), broos, getaand, maar zeer alert, zijn allebei uit Zuid-Sulawesi gekomen om te getuigen in de rechtbank en hun zaak te bepleiten bij de vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken.
Eind januari 1947 vielen Nederlandse troepen het dorp Suppa binnen. Monji, toen 11 jaar: ‘Ze grepen mijn vader die dorpshoofd was en sleurden hem naar beneden. Ze sloegen hem met hun geweerkolven en namen hem mee, ik wist niet waarheen.’ Op 28 januari keerden de troepen met hem terug. Iedereen moest uit de huizen (op palen) naar beneden komen en verzamelen op het veld. Daar werden mannen gescheiden van de rest en voor de ogen van hun moeders, vrouwen en kinderen gexecuteerd.’ Het was een zogeheten zuiveringsactie tegen de Indonesische vrijheidsstrijders op het toenmalige Celebes uitgedokterd door kapitein Westerling. In Suppa vermoordden troepen 200 mannen die dag.

Het was dus de bedoeling dat de mensen getuigen waren van de executies, anders hadden ze gevangenen zoals Monji’s vader ook al eerder in het politiebureau kunnen vermoorden? ‘Ja, ze wilden ons bang maken. Iedereen’, zegt Monji. Hij spreekt rustig en gedecideerd.

Collectieve straf
Advocate Liesbeth Zegveld bewijst in haar pleidooi met een citaat uit het in opdracht van de overheid geschreven onderzoeksrapport door juristen Van Rij en Stam uit 1954, dat er sprake was van angst zaaien en collectieve straf: ‘De genomen maatregelen hadden ook ten doel om de door angst afgedwongen samenwerking met de terroristen tegen te gaan en aan de bevolking duidelijk te maken, dat de overheid besloten had aan de tuchteloosheid een einde te maken.’

Toen maakten de commandanten geen onderscheid bij het treffen van ‘maatregelen’ tegen de bevolking. Het is cynisch dat de Staat dat nu, meer dan 70 jaar later, zelf nog steeds wel doet. Maar al in 2015 stelde de rechtbank in Den Haag: ‘Net als de echtgenotes zullen de kinderen door de executies voor het leven zijn getekend’, ‘eens te meer in de gevallen van kinderen die ooggetuige waren van de executie van hun vader. Zij hebben bovendien op een kwetsbare leeftijd hun vader verloren’.

De dood van zijn vader was een enorme schok, zegt Monji. En de gevolgen waren catastrofaal. ‘Mijn moeder had net een baby gekregen, maar door de moord kon ze geen borstvoeding geven waardoor het meisje overleed. Mijn oudere broer wilde vechten tegen het onrecht en sloot zich aan bij het verzet. Hij keerde na lange tijd met een beenwond terug. Mijn moeder en ik bleven alleen achter en we waren heel arm, ik kon niet naar school.’

Wat hij wil is in een woord samen te vatten: ‘Gerechtigheid.’ En hij moet nog iets kwijt. Met lichte stemverheffing: ‘Nadat mijn vader werd doodgeschoten, was er een soldaat die me een roti gaf. Ik kon het niet opeten.’

Voor de ogen van Talle (76), die als kleuter vlakbij Suppa woonde, werd het ouderlijk huis in brand gestoken door de soldaten. ‘Ze namen mijn vader mee. Later brachten familieleden hem terug in een doek, aan een bamboetak. We hebben hem meteen begraven.’

Ook bij haar greep het verlies van haar vader diep in in haar leven. ‘We gingen wonen bij familie in Suppa. Mijn moeder die altijd thuis was geweest moest gaan werken en ging rijst verkopen op de markt. Ik kon niet naar school. En als ik zei dat ik mijn vader miste, dan zei mijn moeder alleen maar: ‘Heb geduld. Het gaat voorbij.’ Ze veegt langs haar ogen.